Begrippenlijst
Zesentwintig termen die in offertes, inspectierapporten en regelgeving terugkomen.
| Term | Betekenis |
|---|---|
| Asbestattest | Document van een gecertificeerde asbestdeskundige waarop staat welke asbesthoudende materialen in een gebouw aanwezig zijn en in welke staat. Verplicht bij verkoop van gebouwen van voor 2001. |
| Bakgoot | Goot die is ingewerkt in de dakconstructie, met een houten bak bekleed met zink of epdm. Bij een lek loopt het water rechtstreeks in de constructie. |
| Bitumen | Dakbedekking voor platte daken, in twee lagen aangebracht met de vlam of met kleefmiddel. Wordt ook roofing genoemd. |
| Dakvoet | Het laagste punt van een hellend dak, waar het dakvlak op de goot uitkomt. |
| Dampscherm | Laag aan de warme zijde van de isolatie die waterdamp uit de woning tegenhoudt. Een gat in het dampscherm veroorzaakt vocht dat op een daklek lijkt. |
| EPC | Energieprestatiecertificaat. Geeft een woning een label van A tot F en is de basis voor de Vlaamse renovatieverplichting. |
| EPDM | Rubberfolie voor platte daken, meestal in een stuk gelegd, waardoor er weinig naden zijn. |
| Gevelpan | Pan aan de zijkant van een hellend dak, langs de topgevel. Komt bij storm als eerste los wanneer de klem ontbreekt. |
| Hechtgebonden asbest | Asbestvezels die vast in een dragermateriaal zitten, meestal cement. Onbeschadigd hechtgebonden materiaal mag onder voorwaarden door een particulier verwijderd worden. |
| Kilgoot | Goot in de binnenhoek waar twee dakvlakken samenkomen. Voert veel water af en is het meest belaste onderdeel van een hellend dak. |
| Koud dak | Plat dak waarbij de isolatie onder de draagvloer ligt met een geventileerde spouw ertussen. Verouderd principe, gevoelig voor condensatie. |
| Loodslabbe | Loodstrook die de aansluiting tussen dakvlak en schouw of muur afdicht. |
| Mijn VerbouwPremie | Vlaamse premie voor renovatie, met een aparte categorie voor het dak. Wordt na uitvoering aangevraagd op basis van facturen. |
| Nokvorst | Gebogen pan die de nok van een hellend dak afsluit. Ligt traditioneel in mortel, tegenwoordig vaker droog met klemmen en een ventilerende nokrol. |
| Omgevingsvergunning | Vlaamse vergunning voor stedenbouwkundige handelingen. Voor daken draait de vraag om het al dan niet wijzigen van het bouwvolume. |
| Onderdak | Folie of plaat onder de pannen die water opvangt dat langs de bedekking doorkomt en het naar de goot afvoert. |
| Opstand | Verticaal deel waar de afdichting van een plat dak tegen een muur of dakrand omhoog loopt. |
| Panlat | Horizontale lat waarop de pannen haken. |
| R-waarde | Warmteweerstand van een laag materiaal, in vierkante meter kelvin per watt. Hoe hoger, hoe beter de isolatie. |
| Sarking | Isolatie in een doorlopende laag boven de kepers, onder het onderdak. Levert geen koudebruggen op maar kan alleen bij vervanging van de dakbedekking. |
| Tapbuis | Verbindingsstuk tussen goot en regenpijp. De plek waar de meeste verstoppingen ontstaan. |
| Tengellat | Lat onder de panlatten die een luchtspouw maakt zodat water en vocht kunnen wegstromen. |
| U-waarde | Warmtedoorgangscoefficient van een constructie, in watt per vierkante meter kelvin. Hoe lager, hoe beter. |
| Vezelcement | Cementgebonden plaatmateriaal voor leien en golfplaten. Bij bouwjaren voor 2001 mogelijk asbesthoudend. |
| Warm dak | Plat dak waarbij dampscherm, isolatie en afdichting allemaal boven de draagvloer liggen. De standaardopbouw bij nieuwbouw en renovatie. |
| Werelderfgoedbufferzone | Zone rond een werelderfgoedsite waarin de vrijstelling van omgevingsvergunning voor gevel- en dakhandelingen niet geldt. |